Erkennen bemiddelaars

Tijdelijke erkenningen: overgangsmaatregel ex art. 25 van de wet

 

De wetgever wou dat er zo snel mogelijk met bemiddeling van start zou worden gegaan. Daartoe werd bij wijze van overgangsmaatregel, een systeem van tijdelijke erkenningen voorzien in artikel 25 § 2 van de Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bemiddeling. De Federale Bemiddelingscommissie had als eerste taak om instanties te erkennen die tot uiterlijk 30 september 2006 “tijdelijke erkenningen” konden toestaan aan bemiddelaars. Deze tijdelijke erkenning was volgens ditzelfde artikel 2 jaar geldig vanaf de datum waarop ze werd verleend.

 

Op deze manier werden door de Federale Bemiddelingscommissie diverse instanties in de verschillende vakgebieden erkend waar kandidaat-bemiddelaars met verschillende beroepsachtergronden (advocaat, notaris of derden) terecht konden om in hun eigen moedertaal een tijdelijke erkenning aan te vragen.

 

Deze instanties hebben op hun beurt ruim 1000 erkenningen toegestaan.

 

Op 1 oktober 2008 zijn de laatste van deze tijdelijke erkenningen, ex art. 25 van de Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bemiddeling, automatisch en van rechtswege vervallen.

 

Definitieve erkenningen (art. 1727 § 6, 2° en 3° Ger.W.)

 

Voor de definitieve erkenningen dienden eerst de criteria (randnummers 11-14) vastgesteld te worden waaraan bemiddelaars moeten voldoen om voor een erkenning in aanmerking te kunnen komen. Deze criteria werden vastgesteld in de beslissing van de Federale Bemiddelingscommissie van oktober 2006.